Urbanus: “In de sketchen ga ik voluit maar het liedje mag ontroerend zijn”

share

Urbanus: “In de sketchen ga ik voluit maar het liedje mag ontroerend zijn”

maart 24, 2017

Nieuwe toppers in de eregalerij gesignaleerd. Een producer met gouden handen en een neus voor toptalent, een eerste klas grapjas die aanvankelijk striptekenaar wilde worden maar toch een arsenaal aan liedjes schreef en de weergaloze uitvinder van een geheel eigen genre. Levens vol muziek die op 16 maart in het Kursaal van Oostende uitgebreid werden gevierd in de Eregalerij van Radio 2 en Sabam.

Maar eerst werden de spots gericht op een uitverkoren reeks evergreens en hun makers.
Een blitze 2-Fabiola-tribute van Nacht und Nebels Beats of love zette meteen de toon voor een pittige show. Het legendarische popnummer uit 1982 heeft de status “tijdloos” allang bereikt. De betreurde Patrick Nebel inspireerde de song op zijn grote liefde, vertelde bandlid Alban Bentein op het podium. Samen met producer John Tilley maakte Nacht und Nebel er in 1984 een kanjer van een hit van, die tot op vandaag nog steeds nazindert in de ether.

Volgende topper in de rij: een catchy deuntje uit het collectief geheugen dat anno 2016 een nieuwe adem kreeg. Pukkelpop(!) herontdekte vorig jaar Early Bird van André Brasseur. Hij schreef zijn instrumentale bestseller naar eigen zeggen in een soort woedeaanval, nadat Roland Kluger hem had aangemaand meer in de stijl van pakweg The Beatles te schrijven. Een muzikale vlaag van drift die kan tellen. 6 miljoen verkochte platen later ontdekt een nieuwe generatie nu de muziek van André Brasseur, de held van Pukkelpop 2016.

Uit heel ander hout gesneden maar evengoed hitmateriaal is Hé lekker beest. Dat nummer betekende voor de veertienjarige Isabelle A. de start van haar carrière in 1990. Soundmix- & playbackmaatje van weleer Sam Gooris mocht haar de trofee overhandigen. Bij Christel Van Dijck en Jelle Cleymans haalden beiden herinneringen op aan het prille begin van hun carrière. Zij als Nikka Costa en hij als Shakin’ Stevens.

Wat een leven, een nummer van Louis Neefs, gecomponeerd door Rocco Granata op tekst van Phil van Cauwenbergh, werd meesterlijk gezongen door Bent Van Looy, die de crooner in zichzelf naar bovenhaalde. Componist Rocco toonde zich bijzonder dankbaar: Kwa inspiratie heb ik drie moeders te danken. Mijn eigen moeder, de VRT en Sabam.

*

Jan De Smet: “Het moet niet altijd over iets nieuws gaan, terug kijken naar waardevolle dingen is ook de moeite waard”

Muziek met de paplepel
Voor een componist-muzikant in hart en nieren als Jan De Smet betekende deze feestelijke donderdag de kers op de taart. Jan De Smet: Ongelofelijk fijn zo’n erkenning voor “een leven vol muziek” want dat is het ook. Als kleuter was ik er al mee bezig. Ik leerde zingen in het kerkkoor. Mijn weg is deels genetisch bepaald, ook mijn vader was een multi-instrumentalist. Hij speelde in het “Bonte avond-circuit” van de jaren vijftig, waarin ook Gaston Berghmans optrad, en stond ook op het podium met Bobbejaan. Dat was het prételevisietijdperk. Dat ik nu een programma met muziek van Bobbejaan breng, doet iets met mij. Toen ik zeven was, hoorde je Bobbejaan all over the radio. Hij was onze grootste vedette toen. Misschien was het wel daarom dat ik verkoos om vooral in het Nederlands te zingen.

Na Bobbejaan maakte ik als adolescent kennis met de kleinkunst die toen kwam opzetten. Even werd ik een hevige Miel Cools-fan. Hij was de enige die deed wat ik graag wilde horen, iets helemaal anders dan de top-40 muziek van toen. Een optreden van hem moet zowat het eerste zijn dat ik ooit gezien heb. Toen hij op een bepaald moment zijn tekst vergat, riepen mijn maat en ik die naar het podium. Miel Cools trakteerde ons prompt op een pint, we waren amper dertien (lacht).

Ik legde me al vroeg toe op het onderzoeken van chanson, blues en folk. Een tijdje ben ik zelfs een echte folkfreak geweest. Dat heeft gelukkig niet te lang geduurd (lacht). Wannes Vandevelde is de reden waarom we onze eigen muziek zijn gaan opzoeken. De Snaar is opgericht in 1970. De groep Radeis (Josse De Pauw en Dirk Pauwels) gaf ons een bepalende impuls. “Hetgeen wij met theater doen, zouden jullie met muziek kunnen doen.” opperden ze. Die extra visuele inbreng en de grappen zag ik meteen zitten. Zo hebben we 32 jaar gespeeld.

Hoogtepunten
Jan: De laatste productie met De Nieuwe Snaar als trio was een fantastische voorstelling om te spelen. Alles klopte. Met contrabassist Walter Popeliers kregen we plots een nieuwe impuls mee. De verhouding werd helemaal anders, ik was niet meer verplicht om altijd bas te spelen op mijn accordeon. Ik kon ook eens gitaar spelen, ukelele, snaarinstrumenten.
Walter Popelier was de eerste die echt muzikale theorieën had genoten. Wij waren eerder autodidact. Vandaar die eigen stijl, die te maken heeft met een soort revue-achtig theater dat in de jaren veertig en vijftig heel populair was, voor TV alles overheerste. Blij dat we dat mee naar de 21ste eeuw hebben geholpen… Onze afsluiter met een gigantisch orgelpunt op de Nekkanacht van 2014, dat was serieus kicken. Net als onze eigen Nekkanacht in 2002.

Bijna onmiddellijk na de afscheidstoernee van De Nieuwe Snaar ging Jan in zee met Barbara Dex, Nele Goossens en Lukas Vandeneynde (die hem met een heuse lofzang op zijn Xavier De Baeres de trofee mocht uitreiken nvdr). Samen gaven ze gestalte aan Kleinkunsteiland. Goed voor alweer 70 voorstellingen.

Twee maanden geleden ging Ik stuur mezelf wel op in première. Een nieuwe productie voor kinderen in samenwerking met tekenaar Kim Duchateau. Jan: Daar heb ik kinderliedjes voor geschreven. Allemaal rond post, het sturen van brieven en het ontvangen van pakjes, om ze te stimuleren meer te schrijven en minder te sms’en (lacht). Ik ben nogal een promotor van de correspondentie per post. Na een reeks schoolvoorstellingen hernemen we de toernee volgend jaar in CC.

Zo rolt deze duizendpoot van het ene project in het andere en vindt hij zichzelf steevast opnieuw uit.
Jan: Wat ik ook graag doe, is wat ik “Monumentenzorg” noem. Artiesten die hun eigen muziek niet meer kunnen zingen, levend houden. Zo hebben we een productie gemaakt met de muziek van Wannes Vandevelde. Nu loopt Bobbejaan Schoepen en binnenkort Doctorandus P. op Theater Aan Zee. Hun muziek aan jonge gasten leren kennen, da’s mijn missie. Het moet niet altijd over nieuwe dingen gaan, af en toe eens terug kijken naar waardevolle dingen is meer dan de moeite waard.
Een ideale kandidaat voor de eregalerij dus.
Jan: Ik ben heel blij met de collega’s die ik vooraf heb gevraagd om hier te komen optreden. Raf Walschaerts is een goeie vriend. Hij zingt In de hemel is geen Dylan. En in een totaal ander genre brengt Ruben Block een zwoele prachtversie van De hoezen van Julie. De speelse animaties op de originele hoezen van Julie London werden overigens gemaakt door zoonlief.

Eerste ontmoeting met Urbanus en Jean Blaute
Jan: Urbanus ken ik van in het begin van zijn carrière, we zaten bij hetzelfde theaterbureau. In 1973 werden we in Schaarbeek uitgenodigd om te spelen op een event georganiseerd door Guy van Hengel, nu Brussels minister van Onderwijs, toen nog journalist bij het Laatste Nieuws. Urbanus stond in ons voorprogramma. Ik had hem het jaar voordien in Mechelen al gezien en kreeg buikpijn van het lachen, zo goed vond ik zijn voorstelling.
Amper één week na het optreden in Brussel gaf Urbanus een eerste radio optreden bij omroep Limburg, waardoor zijn carrière in een stroomversnelling belandde. Twee weken later stonden we weer samen op het podium en waren wij het voorprogramma van Urbanus. Dat is sindsdien zo gebleven (lacht).
Jean heb ik leren kennen tijdens de opnamen van de Urbanus-spots. Jean en ik waren daar de twee “Leo’s”. Dat was lachen geblazen…
Jean was ook de producer van Urbanus en toen wij aan onze eerste plaat begonnen, vroegen we hem of hij de productie wilde doen. Het klikte meteen. Af en toe zijn we “vreemd gegaan” met een andere producer en dan was er eens ambras maar we kwamen toch altijd weer bij elkaar terecht (lacht).

 

Geen watje
Urbanus: “Hoe ouder, hoe milder” wordt over een humorist gezegd. Wie dat tegen mij zegt, krijgt een stamp in zijn milt (lacht). Je hoeft daarom niet gemeen of kwetsend te zijn maar toch ook geen watje. In de sketchen ga ik voluit maar het liedje mag ontroerend zijn. Dan heb je de mensen twee hoeken van de kamer laten zien. De lach en de traan hè. Daarom ben ik ook een grote fan van Woody Allen.
Ook van Monty Python maar die mannen ontroeren nooit, da’s altijd maar absurd.

In het begin wilde ik kleinkunstenaar zijn zoals Jan de Wilde en Zjef Vanuytsel. Liedjes zingen. Intro’kes en bindteksten verzinnen.
Ik kon wel wat gitaar spelen en liedjes verzinnen maar het is niet mijn grootste troef. Jean (Blaute) en Jan zijn direct met alles weg maar ik ben meteen mijn weg kwijt met dat orkest… Als ik alleen ben, blijf ik in dat akkoord hangen tot ik weet wat de volgende zin is. Ik ben de hemel dankbaar dat ik altijd met muzikanten kan spelen die mij kunnen volgen, zoals het orkest van Miguel Wiels (lacht)

Of maatje Jean Blaute, de derde topper van de avond. Hun pad kruist al in de vroege seventies.
Urbanus: Ik had eerst Guido Van Hellemont en Wim Buelens leren kennen via Sint Lukas. Zij introduceerden me bij Jan de Wilde, toch een beetje de Bob Dylan van onze contreien in die tijd. Behoorlijk onder de indruk daverde ik haast van mijn stoel. Bij de opnamen van de eerste platen was Jean er al bij als organist of gitarist. Vanaf de derde of de vierde plaat was hij de vaste producer. Ik ging ook naar Jean kijken, hij speelde theater in Gent, stukken van Drs P, middeleeuwse pracht en praal. We hebben veel en graag samengewerkt.
 

Goede raad van Drs P.
Het begon allemaal met het skifflegroepje Anus. Een naam om niet te vergeten.
Urbanus: Met de flauwekul erbij paste dat perfect. Later kreeg ik in Nederland van Doctorandus P toch het advies om mijn naam in te korten. Ik zou het verkeerde publiek kunnen aantrekken (lacht)
“Jij brengt het soort cabaret dat wij hier niet hebben, maar die van anus moet je achterwege laten, anders ga je hooligans en carnavalidioten aantrekken” zei hij. “Urbanus klinkt meer dan Belgisch genoeg.” Maar sommigen bleven “van Anus” er toch overal met stift bijschrijven. Alsof er twintig Urbanussen rondliepen (lacht)”

“Sabam als onomatopee” in een Urbanusliedje
Een tijd geleden schreef Urbanus een ludiek gelegenheidsliedje voor de openbedrijvendag van Sabam. Het bleek de aanzet voor een nieuw nummer in the making.
Urbanus: Het is een liedje dat eigenlijk nergens over gaat. Het eerste deel ging ongeveer zo: “Sacoche salami, sanitair, salmonella, sabayon, sabam, saragoza, sabotage, saxofon, safari silicon, stinkzwam” Daarna komt er opnieuw ergens sabam in (lacht). Caramellenversjes; de blokjes moeten altijd beginnen met s en zoveel mogelijk eindigen met am. Zoals in: “Ik ga naar de radio, maar ik kwam er niet in, in geen enkel program, ze smeten mij eruit en de deur deed vlam…en ik ben Zweden binnengevallen met een Afrikaanse stam want ik vond dat de Nobelprijs Literatuur enkel mij toekwam. Maar ze vonden mijn gedicht maar ordinaire spam…” Op het moment dat ik dat schreef, was Bob Dylan die de prijs niet wou gaan afhalen volop in de actualiteit. Dan maak je opzettelijk zo’n verschrikkelijk caramellenvers, logisch dat je dan geen prijs krijgt hè (lacht). Soms maak ik gewoon leuke liedjes omdat dat goed bekt. Dat valt ook in de smaak bij de klein mannen.

Liedjes als lesmateriaal
Urbanus: In de jaren tachtig deed Lutgart Simoens op Radio 2 een oproep naar kleinkunstenaars zoals Kris De Bruyne, Jan De Wilde, De Snaar en Cie om een kinderliedje te maken. Kris De Bruyne maakte Klein Klein Kleuterke, Jan De Wilde Lieve Lumumba, over een hondje dat naar het asiel moet, en ik De Aarde en 1 2 3 Rikketikketik. Toen ik achteraf een plaat maakte, was ik zo blij met die liedjes. De Aarde was ook een beetje educatief bedoeld. Ik wou aan kinderen uitleggen hoe dat allemaal in mekaar zit. Daarom wilde ik ook dat alles klopte, mits een beetje dichterlijke vrijheid.
Rikketikketik was een simpel kinderliedje, maar “mooi in zijn eenvoud” zoals Jan De Wilde het formuleerde. “Een kippetje, een varkentje en ikzelf”. Toch wel mooi dat dat zoveel jaren blijft hangen en generaties overstijgt.

Tussen haar theatertoer door trakteerde Lady Linn in Oostende op haar vertolking van De Aarde. Ze koos het nummer zelf uit.
Lady Linn: Madammen met een bontjas wou ik ook wel zingen maar dat deed Urbanus al (lacht). Hij kan dat duizend keer beter dan ik. Sowieso heb ik veel respect voor hem als artiest èn persoon. Ik ken hem niet super goed maar de keren dat we met elkaar babbelen is het altijd plezant. Ik vind het dus echt een eer om dit te mogen doen. De manier waarop hij zijn liedjes zingt is uniek. Als kind was ik al fan. Niemand die mij zo kan doen lachen als Urbanus. Het liedje De Aarde ken ik al van toen ik klein was. Mijn pépé legde dat vaak op. Sowieso is het iets wat iedereen kent. Het is nog altijd actueel, heeft een prachtige tekst, een mooie melodie en het doet je ook nadenken. Dat alles niet zo vanzelfsprekend is en ook een beetje een wonder. Van kinderliedje tot grote hit.

Lady Linn bracht Urbanus enkele jaren geleden in contact met Isolde Lasoen.
Urbanus: Een paar jaar geleden heb ik Zetpil Car gemaakt. Een sportwagen van vroeger zag eruit als een suppositoir (lacht). Ik had eerst Lady Linn gevraagd om mee te doen maar ze was net zelf bezig met een plaat. “Vraag maar aan Isolde” zei Lien. Ik kende haar niet dus was ik superblij met het opstapje van Lady Linn. Haar versie van De Aarde vanavond vind ik heel schoon.
En Brigitte Kaandorp heeft van Poesje Stoei een echt Broadway nummer gemaakt. Zoals zij die trap afkomt. Gigantisch.

Urbanus: Mijn eerste gitaartje was er één van zevenhonderd frank. Een gitaarkist kon ik niet betalen. Ik geloof dat ik vier jaar getoerd heb met een kartonnen doos en een fietsrekker errond om alles bijeen te houden. Maar dat was het gitaartje waarop Gigippeke van Meulebeik en De Wereld is om Zeep gemaakt zijn.
Soms ben ik jaloers op mensen die fantastisch gitaar kunnen spelen…
Ik maak altijd eenvoudige liedjes maar het probleem is dat ik altijd eerst begin met de tekst, dan sta ik daar met een blok die rijmt en denk ik “hoe ga ik daar nu een beetje variatie in krijgen”? (lacht)

“Een liedje is een tekening”
Urbanus: Aanvankelijk wou ik al stripjes tekenen maar op dat moment was de Belgische markt verzadigd. De groten: Vandersteen, Sleen, Nys en Hergé hadden allemaal reeksen bij de vleet. Als jonge gast was het bijna onmogelijk om een stempel te drukken. Je kon wel het truitje van Kuifje blauw gaan verven maar als je bomvol ideeën zat, lukte het niet. En de populaire muziek van Elvis, Frank Sinatra, Will Tura, dat was een drempel van duizend meter hoog.  Het glitterkostuum alleen al was onhaalbaar (lacht). Gelukkig voor mij is toen de kleinkunst uitgebroken. De eerste die ik bezig zag was Jan De Wilde. In een jeugdclubje in Anderlecht zong hij over een slechte straat, een zieke hond… en toen ging er bij mij een lichtje branden.  Zo kon het dus ook, in jeans en een gewoon hemdje notabene. Toen viel die gigantische drempel weg en heb ik thuis op eigen houtje wat gitaar leren spelen. Met nummerkes (lacht). Ik ken nu nog altijd maar de zes hoofdakkoorden. Maar als mensen als Jan De Wilde of Jean die arrangementen toch wat interessanter maken kom je toch tot iets moois.

Later heb ik ontdekt dat tekenen en muziek maken uit dezelfde bron komt. Ik heb het al vaak gezegd: “Een liedje is gewoon een tekening maar in plaats van met potlood en kleurkes, met teksten en noten." Veel componisten, zoals de kleinkunstenaars die ik al vernoemd heb, hebben allemaal een beetje aanleg voor beeldende kunsten.  Zjef Vanuytsel was architect bijvoorbeeld. Ik denk zelfs dat je dat aan een kind al een beetje kunt zien. Het talent waarmee het gezegend is om iets scherper waar te nemen en duidelijk weer te kunnen geven wat het heeft waargenomen.

Na drie seizoenen op stap met De Fanfaar trakteert Urbanus (hier op de foto met goede vriend Stijn Coninx) ons in het najaar weer op lachsalvo’s.

Urbanus: In september ga ik weer de zalen in. Ik ben volop sketchen aan het verzinnen. Eerst zijn dat allemaal losse flodders, die ik wat laat klonteren.  Eens ik een verhaaltje heb, kneed ik alles tot één geheel. De truc is: je moet het chassis uit iets halen en er uw eigen “carrosserie” op plakken (lacht). (TG)

Zonder Jean Blaute geen muziek in België. Bart Peeters vatte het goed samen: “zonder hem geen platen van de Kreuners, Clouseau, Wim de Craene, Sara Bettens enz.”
De producer met de midastouch en een waslijst aan successen heeft net een lange productieperiode met Jasper Steverlinck achter de rug.
Jean Blaute: Dat is telkens een intense periode, je artiesten worden een beetje je kinderen. En nadien gaan ze weer hun eigen weg.
Zijn vertolking van de avond He’ll have to go droeg Jean op aan zijn overleden moeder.
Jean: Het gevoel voor muziek en de song heb ik van mijn moeder. Zoon Jens mocht papa verrassen met een kwinkslag en een trofee.

 

 

 

Hebt u vragen? Onze Customer Service helpt u graag zo snel mogelijk verder.

 

Contacteer ons