Componist met een uitgesproken muzikale taal, op het kruispunt van jazz en de klassieke traditie: Harold Noben ontwikkelt een schrijfstijl waarin speelplezier, vrijheid en artistieke veeleisendheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Naar aanleiding van een masterclass die Sabam in haar huis organiseerde, deelt de componist — auteur van Caffeine, het verplichte werk voor de 24 halvefinalisten van de Koningin Elisabethwedstrijd 2026 (cello) — zijn kijk op muzikale creatie en zijn parcours. Ontdek het interview hieronder.
Wanneer je het verplichte werk voor de Koningin Elisabethwedstrijd krijgt, voelt dat dan als een beperking of net als inspiratie? Verandert dat je manier van componeren?
Het is tegelijk een beperking én een bron van inspiratie. De beperking is relatief klein en laat veel ruimte voor creativiteit, omdat vooral het kader vastligt: een werk voor cello en piano, de duur, en de rol van het verplichte werk — namelijk de kandidaten in staat stellen verschillende facetten van hun persoonlijkheid te tonen via een stuk dat door iedereen wordt gespeeld. Je schrijft ook voor uitzonderlijke artiesten, met een zeer hoog en solide technisch niveau. De uitdaging is dus een werk te vinden dat technisch veeleisend genoeg is voor het niveau van de wedstrijd, zonder een extra obstakel te worden bovenop een al bijzonder zwaar en complex programma. Daarnaast is het ook inspirerend door de uitstraling van de wedstrijd, zeker als Belg. Toen ik jong was en klassieke muziek leerde kennen, werd “klassieke muziek” vaak meteen geassocieerd met de Koningin Elisabethwedstrijd. Ze maakte deel uit van het collectieve bewustzijn. Als jonge muzikant hoor je die naam voortdurend om je heen. De wedstrijd heeft een uitzonderlijke geschiedenis en bracht, editie na editie, talenten voort die internationaal toonaangevend zijn geworden. Dat is indrukwekkend — en ja, ook een beetje intimiderend. Tegelijk doet de organisatie er alles aan om je op je gemak te stellen en krijg je volledige artistieke vrijheid. Dat gaf mij het gevoel écht vrij te kunnen schrijven.
Wat was het vertrekpunt van Caffeine?
Aanvankelijk zocht ik iets ernstigs. Maar al snel besefte ik dat dat misschien niet nodig was, zeker in een context waar de spanning voor de kandidaten al enorm is. Ik wilde ruimte laten voor speelplezier — dat een musicus, als die dat wil, plezier kan beleven aan het spelen van dit stuk. Op dat moment luisterde ik veel naar muziek van Herbie Hancock. Ik wilde die combinatie van spanning en plezier vatten, vertrekkend van energie, met een knipoog naar funk en jazz. Daarom is het stuk heel ritmisch en energiek, al is er ook een rustiger, lyrischer deel waarin de cello zich vrijer kan uitdrukken.
Wat wilde je dat de musicus — en het publiek — voelt?
Een soort euforie, het pure plezier van spelen — zoals wanneer je spontaan begint te bewegen, ook al is het geen dansmuziek. Een directe vreugde waarin je je zonder omweg moet onderdompelen. Tegelijk wilde ik een ruimte creëren waarin je je ook kan uitdrukken buiten een strikt traditionele schrijfwijze, maar er wel volledig mee verbonden blijft.
Hoe zou je Caffeine pitchen in één zin?
Het plezier van een geur, de energie van een smaak, de nervositeit van koffie — afgewisseld met een meer afstandelijke, lucide introspectie, een blik op de wereld, gevolgd door een laatste uitbarsting waarin vreugde samensmelt met een vitale impuls — misschien zelfs een vorm van woede — en waarin het leven in elke noot moet opborrelen. Dat is lang, dat geef ik toe. Korter dan: een vitale impuls waarin energie overstroomt, reflectie opduikt en een elektrische aandrang tot een finale opflakkering leidt. Nog steeds vrij lang!
Je wordt vaak beschreven als een componist die zich niet wil laten vastpinnen. Wat typeert jouw handschrift?
Ik denk niet dat ik bewust iets aanvaard of afwijs. Het is vooral mijn creatieve proces en mijn parcours die mijn muziek hebben gevormd. Dat traject wordt gekenmerkt door de diversiteit aan invloeden en muziek die me geraakt en voortgestuwd heeft, en ook door mijn grotendeels autodidactische weg als componist. Dat heeft me ertoe gedwongen mijn eigen stem te zoeken. Om mijn muziek echt te laten weerspiegelen wie ik ben, moest ik me niet vastzetten op één esthetiek, maar ze gebruiken als hulpmiddelen — zoals een schilder zijn kleurenpalet gebruikt, afhankelijk van wat het werk vraagt. Dat is voor mij mijn signatuur: een mix van klassieke en niet-klassieke invloeden, zonder iets te verwerpen — noch het verleden, noch het heden — en tegelijk bewust omgaan met mijn eigen grenzen. Dat resulteerde doorheen de jaren in iets dat voor mij coherent aanvoelt en waarin ik mezelf herken. Mijn muziek moet oprecht en eerlijk zijn.
Zit er in Caffeine een bewust “valstrikmoment” dat de uitvoerder uit zijn comfortzone duwt?
Ik zie er twee, al zijn het geen valstrikken in de letterlijke zin. Niets is bewust zo bedoeld. Enerzijds is er het ritmische aspect: het vraagt niet alleen precisie, maar ook belichaming — het publiek moet zin krijgen om mee te bewegen. Anderzijds is er het energetische aspect: de krachtige passages vragen echte uitbundigheid. Halve tinten volstaan hier niet. En om die energie te laten werken, moeten ook de lyrische passages met volledige overgave gespeeld worden, zodat ze het contrast en de terugkeer van de energie voorbereiden. Zo ervaar ik het.
Heb je vooraf met musici samengewerkt aan dit stuk?
Ja. Sébastien Walnier, solocellist bij De Munt, is al lang een goede vriend. Telkens wanneer ik twijfelde of een passage speelbaar was, legde ik het aan hem voor. Na afloop hebben we het stuk samen doorgenomen om te checken of alles muzikaal en technisch logisch was voor de cello. Dat is essentieel om de schrijfwijze maximaal af te stemmen op het instrument.
Is er een werk of ontmoeting die je manier van componeren fundamenteel heeft beïnvloed?
Dat is moeilijk te herleiden tot één element. Mijn muziek zou niet hetzelfde zijn zonder jazz — via Bill Evans, Keith Jarrett of Chick Corea — maar ook zonder Piazzolla of componist-performers zoals Renaud Garcia‑Fons. Daarnaast natuurlijk klassieke componisten als Debussy, Mahler, Ravel, Bach, Beethoven, en later onder meer Ligeti, Messiaen en Saariaho. Wat ontmoetingen betreft: mijn parcours wordt voortdurend gevormd door mensen. Philippe Preudhomme gaf richting aan mijn vroege creatieve verlangen. Sébastien Walnier gaf me de impuls om te blijven vooruitgaan — we werken al twintig jaar samen en hebben nog plannen voor de toekomst. Gabriel Yared steunde me vanop afstand. En Benoît Mernier speelde een doorslaggevende rol, zowel als mentor tijdens mijn residentie aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth als vandaag, als vriend.
Wat uit andere kunstvormen voedt tegenwoordig je schrijfwerk?
Vooral de menselijke ervaring die centraal staat in kunst: de intimiteit, de schoonheid, maar ook de hardheid ervan. Die ervaring verbindt ons — voorbij verschillen — en keert terug in schilderkunst, film, dans, fotografie… Kunst laat ontmoetingen toe op een niveau dat woorden niet kunnen vatten. Dat voedt mij het meest, en ik probeer daar iets van mee te nemen in mijn muziek.
Is er een Belgische componist die je als referentie ziet?
Er zijn er velen, maar als ik één naam moet noemen: Benoît Mernier. Hij combineert subtiliteit en complexiteit met toegankelijkheid en emotionele kracht. Zijn werk raakt, maar behoudt altijd een zekere mysterie. Dat bewonder ik enorm.
Werk je graag buiten het concertformat, bijvoorbeeld voor audiovisuele projecten?
Ja, absoluut. Ik heb met plezier gewerkt aan kortfilms en documentaires. Het is een andere manier van werken: collectief, in dialoog met een regisseur, waarbij muziek in dienst staat van beeld en verhaal. Die beperkingen kunnen creatief verrijkend zijn en dwingen je naar plekken waar je anders niet zou komen.
Wat is de belangrijkste boodschap die je jonge componisten wil meegeven?
Blijf onderweg. Zolang je pad zich blijft ontvouwen, heb je iets te zeggen. En blijf trouw aan jezelf — aan wat je diep vanbinnen wil uitdrukken — zonder in te boeten aan artistieke strengheid. Vrijheid en veeleisendheid moeten samen gaan. Alleen zo kan je muziek weergeven wie je écht bent.
Wat heb je als componist vandaag het meest nodig om te kunnen creëren, en welke rol kunnen organisaties zoals Sabam daarin spelen?
Tijd. En een rustige omgeving zonder mentale druk. Residenties zijn daarin essentieel. Maar ook financiële steun, logistieke ondersteuning én speelkansen zijn noodzakelijk. Muziek leeft pas echt wanneer ze gedeeld wordt met een publiek.
Ben je optimistisch of bezorgd als je naar de toekomst van muziek kijkt?
Beide. AI en besparingen vormen reële uitdagingen. Maar tegelijk zie ik positieve bewegingen en vernieuwende initiatieven die nieuwe publieken aanspreken. Midden in die spanningen ontstaat iets nieuws en hoopvol.
Veranderen digitale tools je manier van componeren?
Ja en nee. Ik gebruik al lang een computer, maar werk weinig met mock‑ups of elektronica. In andere genres speelt AI vandaag een grotere rol — daar zou ik het wellicht ook gebruiken. In klassieke muziek is technologie vooral aanwezig in elektro‑akoestische vormen.
Wat is het moeilijkst bij een compositieopdracht: beginnen, afronden of loslaten?
Beginnen. Zolang je niet start, is alles mogelijk. Beginnen betekent kiezen — en dus andere mogelijkheden opgeven. Dat vraagt moed, loslaten en soms de bereidheid om alles opnieuw te herdenken.
Meer ontdekken over het werk van Harold Noben
Officiële website: https://haroldnoben.com/wordpress/